Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Artikel

Wat zijn de mensen goed

Door Francine Schregel-Onstein

Francine Schregel-Onstein (92) is schrijfster, woont in een verzorgingstehuis in Den Haag en is een trouw luisteraar naar Familie Nederland. In haar lange leven schreef ze romans, verhalen en, samen met haar man Henk (die toneelregisseur was) toneelstukken en hoorspelen. Ze kan nog maar een paar procent zien en daarom is de radio voor haar heel belangrijk. Het volgende verhaal schreef ze nadat ze, ruim dertig jaar geleden, op reis was getroffen door een kleine ramp: in de trein liet haar gezichtsvermogen haar volledig in de steek.

Wat zijn de mensen goed
Door Francine Schregel-Onstein

Die ochtend leg ik aan het ontbijt m’n hoofd op m’n armen en zeg: “Ik wou dat ik niet hoefde.” – “Ga dan niet, schat,” antwoordt Henk.
Ik moet naar Deurne om aan zijn petekind een kostbare familiering te brengen, want ze is heel ziek, we willen haar verblijden. Opeens zie ik echter onverklaarbaar tegen die reis van Den Haag naar Brabant op, terwijl ik het eerst zo graag wilde.
“Nee, ik moet flink zijn,” zucht ik, neem even later afscheid tot ’s avonds en vertrek.

Op het Centraal Station warrelt me de hele wereld – het beste is: nog vlug koffie uit de muur, mee de trein in, en ik zijg neer. Van lezen zal niets komen: hoe kan een mens opeens zo aftands zijn…
De koffie helpt. Maar het treingedender en al die chaotische stemmen hinderen me, mij, die van reisrumoer en mensenmassa’s houdt!
Dordrecht nadert, hoor ik zeggen. Vlak bij Dordt schijnt er een ellenlange tunnel te zijn bij-gekomen òf ik was hem vergeten. Door een half-zwarte, half-grijze smog raast de trein voort, terwijl de mensen opgewekt verder babbelen en hetzelfde kind nog aldoor huilt. En vreemd – aan die tunnel komt geen einde.
Dan dringt, in een ontzettende beklemming, tot me door: het is geen tunnel, het is m’n oog. Ik zie er niet meer mee.
Bij m’n geboorte kreeg ik één zeer slecht oog mee, dat achttien jaar geleden geopereerd werd aan een netvlies-loslating. En nu is er weer iets vreselijks aan m’n enige goede oog.
Verstijfd zit ik daar, de trein davert, een ander kind schatert, een broodjeswagentje passeert. Ik ben onmachtig te denken, knipper, wrijf, heb ademnood.
Ik moet me beheersen. Er zaten toch twee dames tegenover me vanaf Den Haag? Aardige gezichten, leuke stemmen… zij zullen me in Eindhoven wel helpen met overstappen. Over teruggaan peins ik niet; Erica is zó ziek, misschien gaat ze wel dood, ze moet die ring nog hebben.
Ik buig iets naar voren. “Dames,” begin ik – m’n beklemde keel doet pijn, ik ben hees – “ik kan opeens niet zien. Wilt u me in Eindhoven op de trein naar Deurne zetten, als u geen haast hebt zelf?”
Diepe stilte, seconden lang. Ik kan me voorstellen hoe ze mij en elkaar aanstaren. Eindelijk zegt de ene: “Wat vreselijk!” En de andere: “Maar dan moet u toch naar Den Haag terug?” – “Nee, nee, dat kan niet… ik moet heel dringend iets afleveren in het Antonius-ziekenhuis in Deurne. Daar móet ik heen, echt! Ik kan het nog wel.”
Gelukkig is Eindhoven hun reisdoel; ze hebben tijd mij in m’n tweede trein te zetten, op hetzelfde perron. Als we er zijn, loop ik tussen hen in, met gesloten ogen. M’n evenwicht is ook al wankel geworden. Terwijl de ene dame me zorgzaam laat instappen, blijkt de andere, binnen, al aan twee reizigsters te vragen om in Deurne op mij te willen letten. Hoe wonderlijk: die eerste dames heb ik nog gezien, deze twee hoor ik alleen maar – m’n slechte oog doet zo’n pijn door de ongewone inspanning dat ik het gesloten moet houden, zelfs geen grijs waas meer verdragend.

Mijn eerste begeleidsters drukken me de hand, vatten m’n arm: “Het allerbeste met u, hoor!”- “Ja, dank u, dank u voor alles.” Bijna huil ik, maar daar kun je niet aan beginnen als je gekozen hebt voor verder gaan. Een besliste stem in m’n oren, die ook al vreemd doen en suizen: “Mevrouw, u moet nog gauw de trein uit! En hier naar een oogarts!” – “Zullen wij de volgende trein nemen, Paula? En haar naar Dr. Staal brengen?”- “Ja, best,” antwoordt Paula.
Maar ik wil niet. Dán kom ik nooit meer in Deurne! Ik moet het bezoekuur van Erica halen. Die goede vrouwen kunnen me moeilijk optillen en wegdragen; ze berusten heel lief als ik hun m’n gewichtige zending verklaar. Bovendien is de trein gaan rijden. Wat een opluchting bij alle ellende – ik zit kaarsrecht, zodat m’n hoofd niet schokt, de reis naar Deurne uit. Als Henk het allemaal eens wist! Wat zou ik in Godsnaam hebben? Hoe ik ook knipper, hoe ook door lichtjes wrijven een wonder verwacht, m’n beschermengel aanroep, de wereld is en blijft totaal versluierd, het goede oog ziet zelfs geen streepjes, vlekjes, sliertjes.

Mijn overkant biedt me een Haags hopje aan, stopt het in m’n hand. Als ik onwennig met het papiertje frummel, verdwijnt het hopje opeens, komt uitgepeld terug. Ja, zo gaat dat. Een gewoon mens houdt van opschieten, zoals ik gisteren vanochtend nog…
Een beetje pijnlijk nu, dat de overkant gaat fluisteren. Ik span m’n oren niet in – dovig als ik ben helpt dat gaan snars. De trein mindert vaart – “Deurne!” roept iemand. Ik sta zo trillerig op alsof ik ook iets aan m’n benen mankeer; de trein piept en knarst, houdt stil met een ruk. De overkant vangt me op en dan wordt het gesmiespel van zoeven verklaarbaar; de dames hebben besloten mij met hun auto, die bij het station geparkeerd staat, naar Erica’s ziekenhuis te brengen.
Wat een geluk! “Kan dat echt wel?” Ja, hoor, ze dóen het gewoon – er rijdt geen bus heen en er zijn zelden taxi’s hier. Even later zit ik in hun auto, ondanks alles nog een soort blij, een droom-blijdschap, bizar.
’t Is inderdaad een heel eind – als we er eindelijk zijn, krijg ik aan elke kant een arm en zo gaat het de ingang van “het Antonius” tegemoet. “Voorzichtig!” – “Ja hierheen… naar links.” Alles is goed dames, u zegt het maar. Een gang door, opnieuw beven m’n knieën; dat van die ring is toch emotie-vol.
“Wacht u hier een ogenblikje?” Zacht word ik op een bank gedrukt, blijf stokstijf zitten, verkrampt. Gepraat rondom, een doktersbel, voetstappen langs me en terug, gekrijs van kindertjes, schele hoofdpijn.

Onverwacht word ik omhoog geheven. “Komt u maar mee!” Wat zijn ze lief… Bij een deur nemen we afscheid. Ik zeg: “Ik zal u nooit herkennen, dames, maar ik…” Bijna huilen; zij troosten vlug: “’t komt heus terecht! ’t Allerbeste! We deden het zó graag voor u! Beterschap, hoor, hier is dokter Marinus!”
Weg zijn ze. En ik ben niet op Erica’s afdeling. Ze hadden mij op die bank gezet om de nog nèt aanwezige oogarts te vragen mij te onderzoeken.
Ik loop volkomen perplex naast een in de zon vaag lichtende witte jas – ander wit voegt zich erbij, de oogspecialist. Ik ben een spoedgeval. Voorstellen, formaliteiten, een ponskaartje dient gemaakt – de assistente rommelt in mijn tas, vindt de gegevens. De oogarts geleidt me naar het krukje in de donkere kamer, stelt instrumentaria in, zegt wat ik moet doen, murmelt al spoedig: “Dit gaat maanden duren, als het geneest. U bent al zestig. U hebt een glasvocht-bloeding gekregen, mevrouw, en het andere oog is ernstig bijziend en heeft littekens.”
Glasvocht-bloeding? Ik heb er nog nooit van gehoord. Hij legt het uit. Máánden? Misschien altijd? Wat moet ik beginnen… en mijn Henk! Die arme man! Ik stik bijna, adem en adem.
“Ze mag niet terug reizen,” zegt Dr. Marinus. “We houden haar hier, een of twee weken.”
“Nee, dokter, echt niet! Alstublieft!” Ik raak in paniek, vertel alles, ook dat mijn man hoogbejaard is en nog werkt en niets huishoudelijks kan – en ik heb ook nog een poes en een konijn.
“Ja, maar wat wilt u dán?” vraagt de specialist goedig. Misschien is hij zelf zo’n man die thuis nog geen kopje kan vinden.
“Dat iemand mij alstublieft hier naar de kamer van ons petekind brengt – en dan zie ik later wel verder.” Zien, zeg ik. Even valt er een stilte, dan geritsel – de oogarts schrijft een briefje aan mijn Professor De Leeuw, die me geopereerd heeft en onder controle houdt.
“Uw oog mag geen bewegende beelden opvangen,” zegt Dr. Martinus, “die treinreis is heel slecht voor u.” – “Kunt u dan alstublieft mijn bril misschien beplakken?” smeek ik. “Juist omdat ik mensen nodig heb op de terugreis. Dan hoef ik niets uit te leggen”. “Wilt u dat dan?” De assistente kan haar verbazing niet op. O, ja! Ik wil het wát graag! Achttien jaar geleden liep ik ook zo rond, na die ablatio – dat gaf aan alle kanten rust. Goed, de bril wordt beplakt. Dan belt de assistente Erica’s etage, brengt me naar een lift, ik bedank haar en zoef omhoog. De handdruk van de dokter was zo bemoedigend geweest – de eerste tien minuten kan ik wel aan.

Als de liftdeur zich weer opent, hoor ik Erica’s stem; zij mocht me zelf opwachten. Wat is ze medelijdend; ze kruipt in bed, ik leun er tegenaan en geef de ring. Ze is ontzaggelijk verrast. Hij was van haar oma. “Ik heb hem al áán!” zegt ze blij en laat het me voelen. We praten nog even, maar plotseling kan ik niet langer blijven. De taak is volbracht, nu grijpt een vreselijke onrust me aan – ik moet naar Henk.
Erica belt een zuster, die me vergezelt in de lift en naar de receptie. Het is alsof ze een pakket afgeeft, maar dat hindert niet. Snel holt ze weg, terug naar haar zalen en kamers. “Ze moet een taxi!” roept ze nog, al half in de lift, “Naar ’t station!”
De receptie belt de taxi; ze zijn heel wat gewend en de bril spreekt inderdaad boekdelen; ik leun tegen de balie – wat een geluk dat ik genoeg geld bij me heb! De receptioniste loopt om en zet me op een stoel, die er stond. “’t Kan wel eens lang duren, mevrouw,” zegt ze hartelijk. M’n onrust kalmeert opeens. Wat zijn de mensen toch goed. Ik kom vast wel veilig thuis.

De taxichauffeur verrijst. “Deze mevrouw zeker? Waarheen?” – “Naar het station,” zeggen de receptie en ik tegelijk. “Wilt u me erbij helpen?”- “Ja, dát zie ik! Doet ’t pijn?” – “Nee, gelukkig niet.” Hij is nog jong, geeft me een arm alsof ik z’n tante ben, omzeilt een plantenbak, een bank, zegt dat de deurmat dik is, helpt me de stoep af, taxi in. We rijden. Ik heb geen hoofdpijn meer. “U moet zelf het geld maar pakken,” zeg ik als hij remt en stopt. In de verte fluit een trein, heel ouderwets. Hij neemt m’n tas aan – aarzelend vraag ik: “Zoudt u aan ’t station iets van een gevulde koek of zo voor me willen kopen? Ik heb sinds vanochtend acht uur niets gegeten.”
We lopen gearmd naar het perron, hij zet me op een bank, verdwijnt en verschijnt. “Ze hadden alleen repen chocola, mevrouw. Hier zijn er twee.” Hij doet ze in de zak van m’n regenjas. “Had u genoeg geld?” vraag ik. “U krijgt ze van me,” zegt hij verlegen. “Ik vind ’t zo rot voor u.”
Ik snuif een beetje, wil geen tranen. “Ik zal u nooit herkennen,” herhaal ik mezelf, “maar doe straks een gebedje voor u.” Als Brabander zal hij dat wel gewoon vinden. “Graag! Dank u wel, hoor! En een goeie reis naar Den Haag! Als de trein er is, zet de chef u erin – hij heeft ’t beloofd.”
De jongeman geeft me geen hand, maar dat hoeft ook niet. Ik zet heel even m’n bril af, schrik van de schelheid rondom, verberg m’n ogen gauw weer, maar heb toch ongemaskerd in zijn richting geglimlacht. Ook hier verdwijnen nu snelle voetstappen – hij moet ritjes inhalen. Ik maak inbreuk op ieders kostbare tijd. Voorzichtig, m’n hoofd sparend, begin ik aan een reep te knabbelen.

Zonder dat ik nog iets van een trein gehoord heb, duikt de stationschef naast me op. “Hij komt eraan, mevrouwtje! Gaat u maar mee!” Het gevaarte rolt inderdaad aan – als in een reflex wil ik gaan hollen, bedenk me tijdig. Zoiets is passé… De chef heeft me, aan m’n schouder, naar de trein en een coupé binnen geloodst. Elke helper pakt me anders aan. Hij vraagt in ’t algemeen wie mij in Eindhoven kan laten overstappen richting Den Haag. Ik ben weer een pakketje, maar wat geeft het zolang niemand roept: “Geef het mij maar!” Wel klinkt er van drie kanten: “Ik!”
De chef kiest één mevrouw uit, die meteen van alles voor me reddert – haar mantel vliegt van de bank langs m’n benen, de mijne moet uit, het is zo benauwd, ik word bij het raam geplaatst, want daar heb je een tafeltje. En als de chef gezien heeft dat alles in orde is en ik hem na z’n groet heb bedankt, krijg ik de tas van m’n nieuwe vriendin op schoot, waarna ze verdwijnt.
’t Is bijna ongelooflijk als ze even later terugkeert met een bekertje koffie voor mij. Hoe kan het! Ik verlangde er na die reep al zo naar, maar beschouwde het als een vrome wens. “Wat zijn de mensen goed!” wordt een acclamatie binnenin me, een balsem voor alle zorgen.
Ik ben bang koffie te morsen, zie immers niet hoe vol het bekertje is; zo brand ik me door een te snelle teug, die toch smaakt als nectar. We rijden stotend weg, ik steun m’n hoofd met m’n handen. Mijn reisgezellin ondervraagt me als een inspectrice, maar ik vertel alles graag, bij wijze van therapie. Ze zegt heel verstandige dingen tegen me.
Voor we ’t weten, is Eindhoven bereikt en moet ik zonder haar verder. “Ik zal u nooit herkennen, maar…” en dit is een soort cánon. We stappen uit en ze geeft me op m’n plaatsje in de volgende trein zo’n stevige hand dat ’t me pijn doet tot in m’n halswervel – dat komt door m’n verkramping van de hele dag, al uren m’n hoofd in één houding. “Wie weet tot ziens!” eindigt ze optimistisch – en wat is logischer dan dat zij mij wél kan herkennen?

De nieuwe gids – een dame met een hoge stem – hoeft maar tot Delft, maar wie dan leeft, wie dan zorgt, zegt ze met haar schel geluid. Ze vraagt naar niets of niemand, maar vertelt mij alles over zichzelf, haar geliefde Delft, haar fijne huis en al haar dieren: drie poezen, een papegaai die kan miauwen, twee honden, waarvan één zo zielig een kartonnen kraag heeft, anders krabt hij zich. Ik heb m’n ogen steeds gesloten, voel de schele hoofdpijn weer, krijg daardoor de angsten terug. Zo luid en zo druk – hoe kan zoiets bestaan? Je komt er niet tussen; ’t is een wekker die uren achter elkaar afloopt en geen knopje heeft. “U moet eens áánkomen!” zegt ze gillend, “u wordt vast beter! Ze zijn zó knap! Mezenlaan in Delft. En er is maar één rood huisje en daar zit ik.” Ze valt tegen me aan, omdat de trein stopt.
Weg is ze, voor altijd. Ook als ik beter zou zijn, wil ik geen rood huisje zoeken met een wekker erin, een perpetuum mobile aan Geluid. Maar toch, ze heeft me geholpen; ik was niet alleen.
Nu ben ik dat voor ’t eerst wel: van Delft naar Den Haag, helemaal op mezelf. En op het Centraal Station straks? Wie dan leeft, wie dan zorgt. Het blijft een bizarre droom. Maar in een ommezien zoeft de trein heel realistisch Den Haag binnen, langs het Holland Spoor, dat ik ook als ziende bijna niet ken, dus niet uitkies. Ik rijd mee tot het C.S.
Een onbekende, die grondeloos zwijgt, duwt me het middenpad door, laat me uitstappen, mompelt een groet – en ik sta daar, iedereen in de weg. Die onzijdige figuur denkt dat ik afgehaald word, vergoelijk ik, nerveus als wat. Dan beheers ik me, hang m’n tas over m’n schouder en til m’n bril even op. ’t Is hier niet schel en ik kan links en rechts met het slechte oog massa’s ontwaren: treinkolossen. De bril weer omlaag en aarzelend waag ik de eerste stappen rechtuit, met het gedruis van de reizigers mee. Ik moet naar lijn 12, wat niet uitvoerbaar is. Ik zal dus assistentie vragen, hoe dan ook. De mensen zijn immers goed. Ik beweeg mee met de menigte, die langzaam naar alle kanten uitwaaiert, de enorme stationshal in. Ik blijf staan, besluiteloos – ik kan toch moeilijk gaan roepen?

Een kuchende jongen houdt zijn pas in. “Verrek! Wat hebbú nou!” roept hij intens verbaasd zeer Haags. “Ik mag geen bewegende beelden zien van de oogarts,” antwoord ik. “Kunt u me naar lijn 12 brengen? Kent u het hier?” – “Ja, ik woon vlak bij!” De jongen praat niet, hij roept alles. “Lane-me gaan dan! Vooruit met de geit!” Een trouwhartige hand rust op m’n pols, hij trekt een beetje aan me. M’n angst verdwijnt op slag. Mensen zijn goed. “Vindt u ’t erg om even een kroketje uit de automaat te halen?” vraag ik. “Voor uzelf ook, hoor, of iets anders.” – “Ikke wel!” roept hij, “en zeg maar jij, ik ben pas zestien. Hebbie kwartjes? Ik heb niks!” We staan stil, ik frutsel in m’n tas en geef hem de grote rode portemonnaie. “We kunnen ook nog koffie nemen – ik heb altijd véél kwartjes bij me op reis.”
Oh, als Henk me zag! M’n portemonnaie met abonnementen en giro-bescheiden en de N.S.-pas en geld! Aan een vreemde knul toevertrouwen! Iemand die ik niet pakken of nalopen kan en nooit zal herkennen, acclamatie of niet! De jongen vindt het een doodgewone zaak. “Ken ik dan cola neme?” roept hij, “ik lust geen koffie, nooit van gehouwen!” – Ach jongen van zestien, als je eens wist hoe blij ik met je ben; je zou wel zes cola’s mogen. De kwartjes verdwijnen met klikjes en open gaan de ruitjes. De jongen vloekt omdat de kroketten zo heet zijn en de papiertjes eronder zo klein. “Kêk uit, hoor! Je brandt je fikke!” Hij blaast verwoed, stellig ook over mijn kroket, en hapt.

’t Is fijn dat hij geniet en ook ik voel me een paar minutenlang alsof er niets aan de hand is, alsof ik terugkeer zoals ik vanochtend vertrok. Jammer dat je hier bij die automaten tegen een pilaar moet leunen met je koffie en je hapje – je kunt het bekertje niet eens ergens op zetten, zo heet als ook dat is. Maar goed, alles lukt, we nemen eensgezind hapjes en teugjes, m’n tas allang weer netjes dicht. Het geeft niet al heeft hij meer uit m’n beurs genomen, hij zou mogen. Maar ik weet van niet en dat is heerlijk. Ook jongens zijn goed – slechten zijn er maar voor 5% en de goede 95% staat niet in de krant.
“Zalle-me weer?” roept hij en vat m’n pols. “Vooruit met de geit!”
We stevenen op lijn 12 af, door opbreken van de weg een lastig traject, maar de jongen schalt waarschuwingen door mijn duisternis en de hand aan m’n pols regisseert krachtig nu.
“Ken je ’t verder vinden dan?” roept hij, me trouwhartig bij m’n zitvlak de tram in werkend. “Ik wel!” roep ik terug, “ik ben je heel dankbaar, hoor!” Er is geen tijd meer voor de cánon, de deuren zwenken toe en de tram rijdt meteen weg. Ik zwaai nog maar wat, mocht ook hij het doen, ga schuifelend naar een plaats die leeg schijnt en zit. Van emotie rijd ik kosteloos mee, zonder ook maar even aan de kaartjesautomaat te denken. Wie opeens niet ziet, heeft blijkbaar zelf iets van een automaat… wat je niet zelf kunt, hoeft ook niet; je wacht maar af als je niet geprogrammeerd wordt. Zou dat waar zijn?
Wat ben ik blij dat de bestuurder haltes afroept. Zo kan er immers nooit veel misgaan; als ik mijn straat nader, zal ik naar voren lopen en daar uitstappen.

“Kán u zelf?” vraagt hij, als we er zijn. Ik zeg ja, stap gespannen en beverig uit. Hier staan altijd auto’s langs de stoeprand. De tram rijdt bellend weg. Tastend tussen twee auto’s door, staan blijven, bril af en zoekend omhoog kijken. Hier, bij de Bank, is een verlichte klok. Ik ontwaar in de donkerte ver en klein, iets van een flonkering. Van daaruit moet ik enkele passen rechtuit, dan een korte straat door, weer een paar stappen links – en ben thuis. “Vooruit met de geit!” Ik adem diep en vang aan, langs de huizenmuur. De beklemming grijpt me bij de keel als vlugge voetstappen me inhalen. Hoe doen die broeders en zusters van me dat toch, alle blinden en slechtzienden van de wereld? Ik druk me tegen de muur. De passen houden op.
“Ik zag u uitstappen!” zegt een heer. “Staat u mij toe u thuis te brengen, mevrouw.”
Ja, every inch a gentleman – als je niet ziet, hoor je toe en voel je aan. “O, wat fijn!” zeg ik, als een kind. “Ik wist eerlijk al niet hoe ’t moest.” – “Mag ik u mijn arm aanbieden?” Het mag – hij is vast van Henk’s generatie, hoe veilig. Ik vertel hem wat me vanochtend in de trein is overkomen. En hoe goed iedereen voor me geweest is. “Wat ontroerend,” zegt hij. Dan zijn we er, gaan de buitentrap op. Ik overhandig hem mijn sleutel, hij opent de deur.
“Wat zal m’n man schrikken,” zeg ik benepen. “Ja… maar u komt er wel doorheen, samen,” antwoordt hij.
Ik klamp me aan zijn woord vast. “Ik zou u niet herkennen,” zeg ik, intens, “maar ik vergeet u nooit.”
Als zijn voetstappen niet meer klinken, sluit ik de deur af, beklim de tweede trap en ga als verwezen de lange gang door naar de kamer – om mijn Henk te verschrikken en te troosten.
We komen er samen wel doorheen.
Omdat de mensen goed zijn.
Want mensen zijn goed…?

Na enige nazorg kon ik weer zien en werken en wandelen. Maar er daalde nog een netvliesontsteking in het oogstelsel, en weer zag ik maandenlang niet. En zo jong ging ik langzaam op weg naar het verlies van kegeltjes en celletjes – de Macula-degeneratie naderde, zonder dat ik het besefte. De teleloep en de pen zijn mijn troost. We gaan door, met Gods hulp. U ook, toch?

Reacties

Post title

Post url

Your comment

Author

Comment

Mail

Website